President Abelardo de la Espriella kondigt een economische noodtoestand af om de gevolgen van de aardbeving met een magnitude van 7,4 in de Eje Cafetero (koffieregio) en de Pacifische regio aan te pakken.
De maatregel geeft de regering de mogelijkheid om, met instemming van alle ministers, decreten met kracht van wet uit te vaardigen. Centraal staat de oprichting van een speciaal fonds, door De la Espriella omschreven als een “wonderfonds”, dat nationale en internationale bijdragen moet bundelen voor de wederopbouw van ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, woningen, publieke gebouwen en wegen.
De omvang van de schade is groot. Naast de honderden doden raakten in totaal 3.494 mensen gewond, ongeveer 150 gebouwen stortten in en 1.819 scholen liepen schade op. Daarnaast melden de autoriteiten structurele problemen bij 179 gezondheidscentra. Internationale steun is al onderweg: de regering van El Salvador stuurde naar eigen zeggen zo’n honderd ton humanitaire hulp, terwijl Mexico meer dan 58 ton hulpgoederen toezegde.
De president plaatste de ramp in de context van wat hij beschrijft als “de meest complexe fiscale crisis in de republikeinse geschiedenis”. Volgens De la Espriella kampt het land met een historisch hoge schuldenlast, een uitgeputte schatkist en een ondergefinancierde begroting. De economische noodtoestand moet ruimte bieden voor maatregelen zoals huursubsidies voor ontheemden, tijdelijke belastingverlichting en stimulansen om de lokale handel te herstellen.
De economische noodtoestand is verankerd in de Grondwet van 1991 en bedoeld voor abrupte crises die niet met reguliere middelen zijn te beheersen. De afkondiging moet in de tijd beperkt blijven en wordt achteraf beoordeeld door zowel het Congres als het Constitutionele Hof. Het hof controleert automatisch of de maatregel in overeenstemming is met de Grondwet en of de scheiding der machten en fundamentele rechten gewaarborgd blijven.